Voorjaarsvergrendeling

Ik druk de lente tegen mij aan
maar de wind is een klaroenstoot
die me weer het huis in blaast

een voorteken vergrendelt mijn deur
is een cipier die mij maant
stil te zijn – even luchten mag
maar alles gaat voortaan met toewijding

waar haalt de zon het lef vandaan
om uitgerekend nu toegang
te verschaffen tot mijn domein

huisvredebreuk gaat dwars door ramen
alleen om mij de tent uit te lokken

een mentale lockdown ontwaakt
en kruipt verdoofd uit een winterslaap
rekt zich uit en vleit zich genereus
op een steenkoud lentebed

de hete adem van het paasvuur
smeult maar een beetje
niet meer dan koortsige dromen die
ons angstvallig worden voorgehouden

we branden onze handen
er maar niet meer aan
hoeveel doden moeten er nog komen
om jou in levende lijve te zien?

– Wietse Hummel

Gedachten op een late avond

Pas op de plaats,
  even geen hectiek
Blijf binnen, lees een boek
  of luister naar muziek
Het alledaagse leven
  Is nu zo ongewoon
Aldoor je handen wassen
  maak ook je polsen schoon

De film waarin ik wandel,
  zigzaggend over straat
De afstand tot en ander,
  Die nu liefst 2 meter beslaat
De routing in de winkels,
  de tape, het plexiglas
Het werken doe je thuis,
  Er zit geen leerling in de klas

In het ver gelegen China
  daar was wat aan de hand
In no time is de nachtmerrie,
  wereldwijd  geland
Men gaat in quarantaine,
  het leven staat op stop
Verward denk ik vertwijfeld
  is er en herstartknop.

– Cra de Jongh

Nostalgie naar het leven door de levenden

In de kast loeren ongelezen boeken op mijn blik
platen bedekt met stof krijsen om een naald
In de kelder rijpen flessen verstopt met kurk
In mijn pen rust een gedachte gewekt door morgen

Sinds gisteren sluipt een stille dood
van deur tot deur terend op schrik

De bloemen in de vaas bloeien dood
In de tuin ontluikt een nieuwe lente
Tijdelijkheid besef je pas als het op is
en die was zelden zo tastbaar sinds gisteren

– MR

Senioren

Diamanten-geluk
samen honderdeenenzeventig
isolatief verbonden
bevoorraad door talrijk na-zaad
overstelpt met zoemers, bellers, piepers
en lachende face-jes
’t leven kan zo mooi zijn,
als je niet alleen bent

– Opa Hout

Babylon Brug

Staande aan de voet, tussen de steile berg en diepe afgrond,
van wat ik vermoed, dat dit het pad terug naar Babylon zijn moet,
na de eeuwenlange reis die reeds is afgelegd, en waarvan mij is gezegd:
‘Alles komt goed, de weg is recht, naar boven! Je hoeft het alleen maar te willen blijven geloven, in het omzien naar elkaar.’

Dit slingerpad lijkt heikel nu, vol stekels overwoekerd, en verlaten stil verdord,
alsof de grond mij zeggen wil: ‘Hier kwam al lange tijd geen ene zoekerd.’
Onbereikbaar lijkt ‘de gouden stad’ te zijn geworden, de plek die wij voor hoopvol hielden, Babylon!
Als dat al kon, dan werd ons dat voorgehouden door gezond verstand, maar daarnaast weer achteloos mee omgesprongen, zonder een waar-achtig hartsverbond.

Alles wat ik nu nog zien kan is een groter plan, van hoe het beter worden moet,
en het geduld dat op is, van Onze Moeder Aarde..
Ómdenken, dat is wat Zij te zeggen heeft, en daar, hoe wrang en bitter deze vrucht, de vleermuis ons hiervan ten voorbeeld geeft, maar nét zo perfect ingenieus als het eerder al gegeven ‘vlinder-effect’, met alle respect.
Als wilden wilden elk iets anders horen, en vergaten zo Haar schone pracht bij nacht. En evenzo negeerden wij de magische toverkracht bij elk, door Haar aan ons om niet geschonken, wonderbaarlijk ochtendgloren, zeggende, uit Haar zijn wij geboren!

-Natuur die ‘naar de kloten is geholpen’ door gretigheid, verwond met gierigheid, verkleefd door kwist en kift, in een op hol geslagen 5e versnellingsdrift, in oeverloos gehakketak en gemuggenzift, waarin geen mens meer zeker wist Wie, wat of hoe, en waar de kist met sleutels naar Oermoeders’ levenswaarde zich bevond, dolend en bedroefd, het hoofd gebogen..-

Nog tastend in de wilde duisternis, schenkt Zij vanuit haar koele bron, voor ieder die het zoeken beu is, de stilte van het grote luister.
Haar laatste boei nu trilde als een fijnbesnaard gefluister..

Alles start in een winterstop dat gaat gepaard met kilte. De lentetijd is snoeitijd, en groeipijn zal er evenredig nodig zijn, om een zomerse uitbundige bloei te mogen verwachten die alle pijn weer zal verzachten. Zo werkt Zij magisch door in gelijke tred, in de vruchtdragende oogst van de herst, om te kunnen blijven voortbestaan, zoals Zij immer al, in ons, voor ons, door ons, heeft voorgedaan,

Hardleers de mens die ‘ver van zijn eigen bed’ zich niet bewust is van zijn grens.
Plaats eerst je hart in je hoofd, tenminste, als je nog in wonderen gelooft.

Zie toch de jonge vogel dan, hoe eerst een stapje terug gezet, alvorens de afsprong te gaan wagen. De vleugels traag ontvouwen en uiteengezet, gelijk een bemind kind, zonder verzet, zonder te vragen, hoe de wind zijn vlucht zal dragen.
Dit zijn de dagen om in vertrouwen voort te bouwen, zonder door te douwen, maar in natuurlijk tempo ‘tranquilo’.

Mijn ogen naar de berg gericht, ontving ik hedenmorgen dit gedicht.
Het posten werd mijn plicht, met goede moed omgord, als tegenwicht,
als zoeklicht, naar het inzicht, en de terugkeer van het natuurlijk evenwicht.
-einde bericht-

– Nesseir

Een krans om de maan

Onder een kraakheldere hemel
Gezoem, gefluit van vogels
Vliegen komt economie in 
Een glijvlucht tot stilstand

Corona is de naam. Lichtkrans
Om het donker. Doods moment, virus
Gevaar. Niemandsnacht. Maar toch:
Achter duisternis schuilt ijle gloed

We zien banken en beurzen
En het Kopke van Wopke
Hoofd van het geld, geld
Genoeg voor iedereen roept

De muisgrijze macht in koor. Maar
Waar lag die schat, die Mammon
Toch begraven, toen de grond
In Groningen ging schudden?

Toen zwervers voor de poort
Sliepen. En dichters geen rooie cent
Meer kregen. Wondkoorts. Gedreven
Door heimwee. Ziek van ongelijkheid

Op zoek naar een vluchtend mens
Achtervolgd door regels en procedure
Er komen andere geluiden, mythes
Uit de historie van het hart

Corona. Een krans om de maan
De zonsverduistering voorbij
Uit de schaduw treden die ons
Eeuwig volgt

– Jan Atze Nicolai

In limbo (2)

meestal ben ik, wat je noemt
aardig in de omgang

meestal plooi ik soepel om de dag
spin ik rond verwante zielen
meestal ben ik aardig

laatst liep ik in een smalle winkelgang
besmettingen tegemoet
ik knik, druk me tegen de conserven aan,
laat de maskers galant voorbijgaan

en een fractie van een seconde denk ik
omhels ik hen gelijk, kus ik hen
eenvoudigweg?

meestal ben ik aardig
nu tel ik op latex vingers
een andere eenzaamheid

– Hilde Devoghel

30 maart 1853 – 2020

door tientallen dagen en uren verlaten
schilder het veld en de lucht
drink de wijn
in het trage licht
van de jonge wolken

gekletter van duimstokken
verjaagt de dief
van mijn verleden

– O.P. Stapper

Wanneer jij uittreedt

Wanneer jij uittreedt
zullen de klokken luiden
komen we op straat en
zullen we mekaar
omhelzen en knuffelen
als nooit tevoren

Wanneer jij uittreedt
zullen we mekaar bewonderen
voor zoveel veerkracht
zoveel doorzetting
zoveel solidariteit

Wanneer jij uittreedt
is jouw bezette oorlog
geschiedenis, ben jij
geïsoleerd en wij niet meer

Wanneer jij uittreedt
gaan we ons milieu
omarmen

Wanneer jij uittreedt
zullen we woorden tekort komen

Wanneer jij uittreedt

– Dimitri Casteleyn

Corona Corona

Bracht een Corona ons vroeger buiten
om ons sociaal aan te sluiten
bij de hippen van de stad
Sluit een andere Corona ons nu binnen

Sociale onthouding wordt verlangd
geen groepsvorming
geen samenscholing
niet meer dan twee
mensen bij elkaar
anderhalve meter
afstand handhaven
Sociale onthouding is gepast

Coronabier was.
Coronavirus.
Corona fier is.

– Mireille Nargish