Zorg

Mijn buurvrouw verlangt naar een verblijf
in het sanatorium, zij aan zij op een rij
met een dekentje over haar benen.

Verkouden raakt ze iedere dag meer
overtuigd dat haar trommelvlies zal scheuren.
Soms gebeuren die dingen. De huisarts wil niet

dat ze nog belt, er zijn ergere dingen in het leven
en heeft ze eigenlijk wel koorts, hoeveel
kan ze nog verdragen aan onzichtbare vijand?

-Saskia van Leendert

Gegroet

Mijn buurvrouw bouwt een fort
van wc-rollen, hoe hoger hoe beter
schuilt ze achter drie dubbele lagen.

Als we elkaar zien hoesten we
in ellebogen, niezen we in onze knieën
en verliezen we het besef van dagen

die agendaloos voorbijgaan maar stipt
om acht uur klappen we schrale handen
stuk voor de mensen die later verkleed

als astronauten aan ons bed staan, carnaval
is voorbij, die tijd waarin het nog mocht
onze handen waren overal, nu bewaren we

afstand maar wie weet precies hoeveel
anderhalve meter is, voor de zekerheid
zwaaien we steeds vaker vanuit de verte.

-Saskia van Leendert

Afgrond

Mijn buurvrouw leeft in isolatie
nog voor de eerste verschijnselen. Door muren
praten we over winterbanden, het weerbericht.

In de ochtendkrant tellen we cijfers
op dodenlijsten, worden het gevaar
gewaar dat ons omsingelt.

We verzwijgen het gebrek aan profiel, hoe fragiel
het lijf. We heffen glazen terwijl bij iedere hoest
een bui door ons heen raast in een grondeloze diepte.

Nergens zijn we veilig, ook niet binnen de grenzen
van het lichaam, dit kleine overwinnelijke land.

– Saskia van Leendert