zoveel miljoenen kleine deeltjes die we allen
delen onder onze leden, wat ons mensen maakt.

in en onder elke huid razen dezelfde achtbanen
van cellen, bloed, impuls, herinnering, ook

de deken van ons naakt omkleedt ons met
dezelfde accessoires: nagels, rimpels, tranen,
waarneming.

we worden ieder door gelijke lijnen uitgetekend,
ingekerfd. ook jouw hand heeft vijf vingers,
ook jouw hart wordt door ribben ingeklemd.

wie is mens? het hangt af van kleine deeltjes,
wordt bepaald door hoe je grenst.

afstand houden we alleen tot dat wat
groter is dan wij, een kerkspits zie je
alleen van ver in zijn geheel, net
als oorlog en de oceaan.

(niet de liefde, zij ontkiemt
in delen, binnenin en klein.
daarom raak ik je graag aan.)

nu echter dodendanst een deeltje door de wereld
een ‘organisme op de rand van leven’,
het stilt de straten zachter dan de nacht.

uit zijn voetafdruk bloeit – vreemd – verwachting,
een opgewekte angst en met de vreugde
van een monnik mijden we contact.

nu liefde is besmet wordt elke afstand
liefkozing, is elke grens een vriendenpact.

de lente bot nu zwijgend uit. we slaan het gade
door het glas, zien geen mensen, zien
niet hoe ze aan de randen van Europa

worden gezaaid in niemandsland
worden gewiegd door nergenszee
worden verstikt door onze grenzen

en straks zullen we kransen leggen
voor wie als herfstblad vielen, voor de oorlog,
zullen as verstrooien in de oceaan

de grenzen blijven.
raak ons, vader, raak ons aan.

– Mariska van Dam

Geef een reactie