Hij zwaait als nooit eerder
en ik zie wat hij ziet:

een man die zichzelf ziet
zwaaien in het raam dat verbindt
en scheidt

met achter hem, donkerder,
indringender, dat andere zwaaien,
het zwieren in overvolle straten

mensen buiten zichzelf van vreugde
tussen billen, dijen en buiken.

Ze hossen en knielen, aanbidden
het vlees, ontkennen het kruis, de as.

We zingen, zwanzen en kussen

we proosten en proesten. Wij hoesten.

– Albert Hagenaars