Lege terrassen
hunkeren naar verschaald bier.
Stil galmt een tripel.

Dichtgeknepen neus;
stille wind waait een rot ei.
Afstand komt vanzelf.

Plexiglazen wand,
virus loopt zich te pletter.
Kassa rinkelt niet.

Gekooide mensen!
In het bos knipoogt het ree
vol van leedvermaak.

Werkloze scharen!
Crisis laat haar links liggen;
gestaag groeit het door.

Wassende handen
wrijven, spoelen en drogen.
Niets meer omhanden!

Thuiswerkende vrouw!
Koters voetballen binnen.
Een vliegende muis?

Fietsend mondkapje!
Hijgend zwoegt het naar boven,
alleen in de Tour.

Skypende oma,
die hoort dat het gaat vriezen,
breit muts voor tablet.

Jarige Jobje
bakt taartjes als ieder jaar.
Loert obesitas?

Dansende muggen!
Oma wuift achter het raam.
Niemand ziet haar staan.

Wijsheid van vroeger!
Eenzaam kind verveelt zich rot:
Speel met je tenen!

Schuinsmarcheerder schuift
alléén een-meter-vijftig
van zijn eígen vrouw.

Grenzen gesloten,
niemand mag er in of uit.
Virus kent grenzen?

Opa en Oma,
niet alléén uit verveling
overdag in bed.

Besloten uitvaart,
zonder zwartepruimenvlaai
smaakt pitloos bitter.

Gaatje in een kies?
Tandarts dicht, niets te kiezen!
Of is dat niet kies?

Geen toiletpapier!
‘Door corona gesloten,’
Gedrukt op haar kont.

– Sjef Leenen

*haiku’s in Coronacrisis