In een wereld die nog nooit eerder bestaan heeft,
Lig ik nu toch in hetzelfde bed als twintig jaar geleden.
Droom als vanzelf de koortsachtige tienermeisjesdromen,
Gevoed door wat naar buiten wil maar steeds geen uitweg vindt.

Beneden danst mijn vader lachend door de keuken,
Maakt mijn moeder schelpen van kleine stukjes klei.
Boven is het stil, maar in mijn hoofd verdomd onrustig.
Buiten is er niets, verandert niets,
gaat elke avond als vanouds de zon gewoon weer onder.

In een land hier niet, maar toch oneindig ver vandaan
Ligt nog een bloemkool in de koelkast.
Hangt de jurk die ik dit weekend wilde dragen
Eenzaam aan een haak.
Klinkt nog een vage echo na, die een belofte inhoudt:
‘Ik zie je snel weer terug, toch?’

– Annabel Nijhof

Geef een reactie