Ik vind huidhonger een lelijk woord – zegt ze. Baby’s huilen nou eenmaal.

Lijstjes maakte ze. Van alle mensen die haar nooit aanraken. De bakker. De slager. De caissière. De fietsenmaker. De loodgieter. De schoonmaakster. De pizzabezorger. De psycholoog. De postbode. En voor haar raam zet ze tulpen neer.

En op haar balkon luistert ze naar de vogelgeluiden op haar huid.

Met haar rug tegen de muur zit ze met een kop thee in haar handen. En de zitbotten om haar vel. En het beton daaronder. Het water dat om haar handen sijpelt als ze 45 keer per dag haar handen wast. De douche tegels onder haar blote voeten.

Wie herinnert haar eraan hoe warme koffie ook haar slokdarmen aanraakt.

Hoe cafeïne haar hersenen masseert. Hoe kamille haar hart aait. Hoe het fruit dat zij schilt. Ze ziet de takken van de boom, nog zonder blad.

Ze denkt aan handen. Stiekem denkt ze aan ranke vingers.

Ze steekt geen kaars aan. Ze blijft niet zitten kijken tot deze op brandt.
Ze raakt niet haar gezicht aan.
Ze draagt geen handschoenen.
Ze gaat niet naar buiten. Ze klapt niet. Ze bekijkt niet haar naakte huid. Ze bestelt geen spiegel op het internet.

Ze neemt de telefoon op. Ze luistert. Ze antwoord niet.

Ze vindt het dweilen van haar vloer heel belangrijk, het leven gaat door zegt ze.
Ze stoft en stofzuigt. Schuurt de voegen schoon. Neemt de plinten af. Geeft haar planten water en doucht de muren schoon. Ze ziet de waterstralen.

Ze denkt aan handen. Stiekem denkt ze aan zachte vingers. Soms vergeet ze haar huid. En dat ook haar handen 27 botten hebben.

– Jo-An Westerveld