het briefje bij de soep

persoonlijk ken ik u niet mevrouw
maar dat maakt niet uit
ik weet op dit moment genoeg

op meer dan anderhalve
meter afstand voel ik met u mee
heb helaas ervaring – vier jaar terug

komen de muren ook op u af?
zou u er soms wel in willen klimmen?
ik af en toe wel

al het nieuws is te pijnlijk
ze klessebessen
en kissebissen wat af

maar twee dingen zijn voor u belangrijk
zorgvoormijnman en blijfthuis
en dan zo’n hesjtek ervoor

ik hoop dat de soep mag smaken
hij is dubbel getrokken
u moet wel blijven eten hoor

morgen maak ik macaroni
met extra spekjes voor u
misschien fleurt u wat op

groetjes van Riet
van negen huisjes verder
(of tien kan ook)

– Marcel Zandee

Identiteitscrisis tijdens corona

Deze dag was weer precies hetzelfde als ieder ander
Ik voel me in deze wereld klein
Maar omdat er weinig invloeden van buiten zijn
Voelt het alsof ik verander

Ik denk na over wie ik wil zijn
Waarom ik dingen doe
Wat het uitmaakt
Ik ben aan iets anders toe

Sommigen proberen zich er voor te verstoppen
Hoewel er honderdduizenden sterven
En miljoenen hun baan verliezen
Hebben mensen hierdoor door dat onrechtvaardigheden moeten stoppen

Het is absurdistisch
Na 100 jaar weerstand, is in Dordrecht, Heerhugowaard, Arnhem, Alkmaar, Den Bosch, Breda, Den Helder, Edam, Deventer, Enkhuizen, Gouda, Leeuwarden, Lelystad, Nijmegen, Zaanstad, Purmerend, Rijswijk, Maastricht, Volendam, Wageningen, Weert en Weesp het sinterklaas ’feest’ nog altijd racistisch

We zouden in juist deze tijd eerst naar onszelf moeten kijken
Hoe we institutioneel racisme kunnen vermijden
Door het lezen van de minder leuke bladzijden
En de gelijkwaardigheid bereiken

– Judith de Grote

De Tijd Voorbij

mijn wereld is klein
mijn tijd zonder eind

mij wachten de dagen
wat beidt mij de tijd

maar in mijn gedachten
mijn vleugels gespreid

het einde der dagen
bevrijdt mij de tijd

alleen mijn gedachten
mijn reis door de nacht

mijn stem zal mij dragen
een nieuwe tijd wacht

mijn lied schenkt mij krachten
mijn schaduw werpt licht

ik heb zoveel vragen
de dageraad lacht

mijn nacht vult de dagen
mijn dag wordt verwacht

kom stel mij je vragen
je hebt mij volbracht

– Jaro Mani

het rood-witte lint

Konden wij vroeger onze behendigheid testen door de rij in te
halen, slalommend ons doel bereikend, nu komen we

klem te zitten niet eens halverwege, al klinkt in ons hoofd nog
het ‘opzij’ en ‘mag ik even’, blauwe plekken

stotend tegen zijmuur en deurklink, boze gezichten achter ons.
Konden we vroeger de snelste zijn, het

gemier en geklets ver van ons latend, mensen in bevroren poses
en een wolkje stoom boven ons

verdwijnend lijf, nu voegen we in en hebben het nergens over,
nou ja, misschien over de tijd die het ons

allemaal kost terwijl zij niets verliezen aan snelheid. Het blokkeren
van tempo, uitgang en missie doet ons zoveel

nadenken dat het nut verdwijnt, de focus oplost en het resultaat
slechts een slome versie wordt van de wens.

– Alja Spaan

Leven anno nu (maandag)

oma bellen, drie keer over en weer zeggen “Hier gaat ‘t goed”
ophangen en ineens denken aan je andere oma
blij zijn dat ze dit niet meer mee hoeft te maken
verdrietig zijn omdat je graag nog één keer
voortgaan met bezwaard

de hele dag werken achter een scherm
bij thuiskomst je mondkapje wassen
na beraad om 21.24 uur besluiten
dat je vrijdag tussen 19.15 – 21.45
weer eens op café gaat

papa appen met eigenlijk niks te vertellen
een wasje aanzetten, de afwas doen
nog een uur met broer aan de lijn
over de toestand van de wereld
veel vragen zonder antwoord

inloggen bij Netflix
er is niets te zien
des te meer
te kiezen

met je lijf in het hier en nu
maar je gedachten overal
en nergens voelt ‘t leven
leerzamer dan ooit

– Merel Meijers

Luctor et Emergo

Wij,
de bouwers van dijken.
Wij,
wij leven onder de zee.

De onmogelijke stand
van een op zee gewonnen land.
Wij zetten water onder zand.

Onze dijken zijn bemand.

Wij,
wij leven aan de waterkant.

Elke golfslag trotserend.
Tussen leven en vrezen balancerend.
De waterweg vererend.

Onze dijken continu beherend.

Nu spoelt de zee weer door onze dijken.
Lijkt ons land onder virale golven te bezwijken.
Tellen we zoals in 1953 de lijken.

Het is tijd om onze dijken te herijken.

Wij,
wij zullen ook deze keer in de kracht van onze dijken geloven.
Want Nederlanders vergeet niet:
Wij worstelen en komen boven.

– Rick van der Rest

Onzekere tijden

Terug geworpen naar het echte Leven.
Waar is het uiterlijk vertoon gebleven?
Alles draaide in de wereld om macht en geld,
Dit spat nu uiteen met grof geweld.

Niets is zeker in deze tijd de mensen zijn hun houvast kwijt.
Een baan een auto en vertrouwen, is toch niet iets waar je blind op kunt bouwen.

Alles wat zo zeker leek maar later toch onzeker bleek,
Arm of rijk het maakt geen verschil.
Iedereen is bang en stil.

Hopen, bidden en accepteren, zullen we van deze crisis ook wat leren?
Het virus gaat ons allemaal raken,
qua werk, gezin of andere zaken.
Dieper in ons hart dan we durven te geloven.
Komen we deze klap ooit te boven?

– Ilse Veer

Sykje nei in faksin

Sykje nei in faksin

Foardat oaren ek wisten dat ik
dichter wie, learde ik in fak
en troch in mikroskoop
it grutte yn it lytse te sjen

immen rôp: ‘kom hier es,
is dit een bacterie of een virus?’
ik tocht altyd: hoe sjogge se ús?

en learde hoe’t se diele, flugger as
Facebookberjochten har ferspriede
úteinlik wie Slauerhoff ek dokter
wurden en Leo Vroman biolooch

mei omkearde hannen siet ien
oan ’e knoppen en de learaar sei:
‘hee, hoe melke se de kij by jim
op ’e pleats?’ lytse-bistjes-boeren
wiene wy, gjin opbringst oars as
op lytse skaal, ien sei: ‘as ik
oan al dy aminosoeren yn
myn liif tink, dan knap ik hast!

en ik knope it yn ’e earen dat in
professor sei: ‘óárloggen wurde
troch mikro-organismen besljochte,’
gôh, tocht ik doe, miskien,
tink ik no, kinne se der ek troch
ûntstean, soms bin ik deabenaud
en dan haw ik noch net iens koroana

wy wiene thús noait net sa tuterich,
mar mem, o, mem, wat wol ik dy no
graach in tút jaan, al wiken is myn
grutste eangst dat ik dy’t my it libben
joech, it libben ûntnimme soe

en wylst wy ús elk yn ús eigen sel
opslute, hát in firus net iens in
selwand, in firus nimt gewoan de
kontrôle oer, yn ’e gasthear-sel

ja, ik wit in bytsje fan wat der omgiet
yn ’e grutte lytse wrâld, it wie in
nommel fak dat ik learde, mar doe’t
de wurden hieltyd lûder rôpen, waard
ik stadich mear de dichter, en soms
freget immen of eat om in fers, sa’t
Fedde Schurer skreau: ‘in dichter is
in minske dat in fers skriuwt as
syn folk derom freget’, no ja,
hy skreau fan ‘fint’, net ‘minske’

it is mar wat jins ropping is
myn broer loadst einepiken
de krisis troch nei de sleat

en wat is de ropping fan de
eamelders dy’t út alle kieren
ûnder de flier wei komme, as
talkshowgasten, se fleane by
de ruten en de muorren op
en dan steane nóch 90 fan de
100 fleanmasinen oan ’e grûn

wat gjin aksjegroep slagge, krijt
sa’n skytminiskúl dieltsje dna of rna
klear, oft dat no syn ropping is of net

en skjin is de loft, as desennia lyn
doe’t ik in fak learde, miskien as ik
der yn trochleard hie, wurke ik no
oan in faksin, miskien hie ik jimme
dan rêde kinnen, miskien makket in
gedicht in hiel lyts bytsje ymmún

– Janneke Spoelstra

Zoeken naar een vaccin

Voordat anderen ook wisten dat ik
dichter was, leerde ik een vak
en door een microscoop
het grote in het kleine te zien

iemand riep: ‘kom hier es,
is dit een bacterie of een virus?’
ik dacht altijd: hoe zien ze ons?

en leerde hoe ze deelden, sneller dan
Facebookberichten zich verspreiden
uiteindelijk was Slauerhoff ook arts
geworden en Leo Vroman bioloog

met de handen omgekeerd zat iemand
aan de knoppen en de leraar zei:
‘hé, hoe melken ze de koeien bij jullie
op de boerderij?’ kleine-beestjes-boeren
waren wij, geen opbrengst anders dan
op kleine schaal, iemand zei: ‘als ik
aan al die aminozuren in mijn
lichaam denk, dan knap ik bijna!

en ik knoopte het in mijn oren dat een
professor zei: ‘óórloggen worden
door micro-organismes beslecht,’
goh, dacht ik toen, misschien,
denk ik nu, kunnen ze er ook door
ontstaan, soms ben ik doodsbang
en dan heb ik nog niet eens corona

wij waren thuis niet zo zoenerig,
maar mam, oh, mam, wat wil ik je nu
graag een zoen geven, al weken is mijn
grootste angst dat ik die me het leven
gaf, het leven ontnemen zou

en terwijl wij ons ieder in onze eigen cel
opsluiten, hééft een virus niet eens een
celwand, een virus neemt gewoon de
controle over, in de gastheer-cel

ja, ik weet een beetje van wat er omgaat
in de grote kleine wereld, het was een
nobel vak dat ik leerde, maar toen
de woorden steeds harder riepen, werd
ik langzaam meer de dichter, en soms
vraagt iemand of iets om een gedicht, zoals
Fedde Schurer schreef: ‘een dichter is
een mens dat een gedicht schrijft als
zijn volk erom vraagt’, nou ja,
hij schreef van ‘vent’, niet ‘mens’

het is maar wat je roeping is
mijn broer loodst eendenkuikens
de crisis door naar de sloot

en wat is de roeping van de
mieren die uit alle kieren
onder de vloer vandaan komen, als
talkshowgasten, ze vliegen bij
de ramen en de muren op
en dan staan nóg 90 van de
100 vliegtuigen aan de grond

wat geen actiegroep lukte, krijgt
zo’n piepminiscuul deeltje dna of rna
gedaan, of dat nu zijn roeping is of niet

en schoon is de lucht, als decennia geleden
toen ik een vak leerde, misschien als ik
erin doorgeleerd had, werkte ik nu
aan een vaccin, misschien had ik jullie
dan kunnen redden, misschien maakt een
gedicht een heel klein beetje immuun

– Janneke Spoelstra (ook vertaling)

(Dit gedicht voorgelezen als Dichter op Afstand in Cultuur aan Huis: https://www.podium.tv/nl/202005121700/cultuur-aan-huis/aflevering-11/gast-gurbe-douwstra. Het item met Janneke begint op 16:10.)